Dräger Brandveilig Gebouw
Header

 
Globale werking branddetectiesysteem
 
Dräger Safety Nederland B.V.
 
 

 

Postbus 310
2700 AH Zoetermeer

Telefoon: 079 - 3444 845
Fax: 079 - 3444 611

E-mail: Brandveiliggebouw@draeger.com

Website: www.draeger.com

 

 

 

Een brandmeldsysteem bestaat in essentie uit drie hoofdonderdelen:

  • Detectoren ter detectie van een brand;
  • Signaalgevers  ter  waarschuwing van mensen en sturingen ter activering van systemen om de ontruiming optimaal te ondersteunen;
  • Een stuurmatrix, waarin is beschreven welke sturingen dienen te worden geactiveerd bij detectie van een brand uit een bepaald gebied.





Om niet voor elke melder een regel in de stuurmatrix te moeten invullen, worden meerdere melders gegroepeerd in detectiezones. Op deze manier kan per zone/groep (input) van het systeem een lijst van maatregelen (de output) worden gedefinieerd.

In onderstaand plaatje treft u een zeer vereenvoudigde stuurmatrix aan.

 

Doormelding
Brandweer

Liften

Ontruimings-systeem

Flitser 1

Flitser 2

Begane grond

X

X

X

X

 

1e verdieping

X

X

X

 

X

2e verdieping

X

X

X

 

X

Trappenhuis

X

X

X

X

 

In dit eenvoudige voorbeeld worden de meeste  sturingen altijd geactiveerd vanuit elke zone. Zo’n schema wordt al moeilijker als bijvoorbeeld ook het ontruimingssysteem in meerdere zones wordt verdeeld waarbij de verschillende ontruimingszones in een bepaalde tijdsvolgorde moeten worden aangestuurd. Bijvoorbeeld in een flat van 10 verdiepingen en bij brand op de 8e, klinkt het toch wel verstandig om de personen op de 8-10e verdieping eerst te alarmeren en laten vluchten, zodat de ontruiming van laag gelegen verdiepingen niet de vluchtroutes voor deze personen kan blokkeren.

Naast het vereenvoudigen van de stuurmatrix is een tweede functie van het groeperen van melders om de brandweer stapsgewijs naar de brandlocatie  te leiden.

Dit werkt ongeveer als volgt:

  • Bij aankomst van de brandweer is de flitser door de brandmeldcentrale geactiveerd via welke deur de brandweer het pand moet betreden; in bovenstaand voorbeeld wordt bij een gedetecteerde brand op de begane grond Flitser 1 geactiveerd.
  • Bij binnenkomst hangt een brandmeldpaneel waarop door middel van een oplichtende led wordt aangegeven in welke zone de brand is gedetecteerd. (Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een indicatie voor een detectie van een automatische en handmelder, aangezien de handmelder niet de locatie behoeft aan te geven waar de brand zich daadwerkelijk bevindt).
Bij aankomst in de zone van het brandalarm brandt het rode ledje van de melder die in alarm gekomen is; indien deze melder bij het betreden van de zone niet zichtbaar is, bijvoorbeeld omdat de melder zich in een kamer bevindt, zal een nevenindicator (rood lampje) op de gang branden ter indicatie dat de betreffende melder zich daarachter bevindt.



 

Terug naar menu