Het is mogelijk om een adresseerbaar brandmeldsysteem geheel draadloos uit te voeren. Alle brandmelders, handmelders en akoestische of optische alarmgevers kunnen via een draadloze verbinding met basisstations worden verbonden. De basisstations worden vervolgens via de lusbekabeling verbonden met de brandmeldcentrale. De betrouwbaarheid en functionaliteit doen hierbij niet onder voor een bedraad systeem.
De meest voorkomende toepassingen van draadloze technieken zijn: |
|
- In monumentale panden is het niet gewenst dat er opbouwbekabeling op de plafonds worden geïnstalleerd.
- In een kantoorpand dat regelmatig zijn indeling wijzigt, bieden draadloze melders een uitkomst om snel en met zeer weinig kosten de detectie weer aan de normen te laten voldoen.
- In een situatie dat bekabeling zeer kostbaar en tijdrovend wordt, bijvoorbeeld als een bijbehorende pand aan de overkant van een weg ook nog beveiligd dient te worden of gewoon om een brandwerende scheiding te overbruggen zonder deze te moeten doorboren (en vervolgens weer brandwerend dicht te laten maken).
- In een overgangssituatie dat een brandmeldsysteem vervangen wordt, waarbij er tijdelijk draadloze melders worden geïnstalleerd, ter voorkoming dat brandwachten dienen te worden ingehuurd.
- In tijdelijke accommodaties die slechts voor een paar maanden worden opgebouwd.
- In situaties dat het bedrijfsproces zeer kort uit bedrijf mag om een brandmeldinstallatie te installeren.
- Indien het object dat beveiligd dient te worden beweegt (bijvoorbeeld een lift), of in ruimtes die geheel afgesloten zijn door bijvoorbeeld glas.
Voor de verbinding tussen melder en basisstations komen verschillende methoden voor. Het bewaken dat de melder nog operationeel is, vindt meestal op een poll-achtige manier plaats: de melders worden één voor één benaderd door het basisstation of deze nog goed functioneert. Door gebruik te maken van speciaal toegewezen frequenties en frequency hopping technieken (waarbij regelmatig van de ene frequentie naar de andere wordt gesprongen om frequenties die worden verstoord, te vermijden) wordt een betrouwbare verbinding gerealiseerd.
Wat dan nog overblijft is dat de afstand tussen melder en basisstation niet te groot is. In gebouwen zal het doorgaans tot 30 meter goed gaan, in open ruimtes kan dit een aantal maal vergroot worden. Om deze onzekerheid weg te nemen zal voor installatie een meting plaatsvinden m.b.t. de ontvangststerkte.
Met betrekking tot de voeding van de draadloze componenten zijn de meeste systemen uitgerust met een dubbel uitgevoerde batterijvoeding, goed voor ten minste drie jaar bedrijf. De batterijconditie wordt continu bewaakt. Ruimschoots voordat volledige uitputting optreedt geeft de brandmeldcentrale een waarschuwing dat de batterijen van de betreffende sensor aan vervanging toe zijn.
De normen voor automatische brandmeldinstallaties zijn vastgelegd in de NEN-EN 54-serie. Uiteraard zijn de gestelde eisen zwaar: de gevolgen van een haperende installatie kunnen in het geval van een brand aanzienlijk zijn. Indien het draadloze systeem een EN54-25 certificaat heeft van een Notified body, zoals het Duitse VDS, kan het systeem ook in gecertificeerde installaties worden gebruikt.
|
|