Dräger Brandveilig Gebouw
Header

 
Verschillen Certificeringsregeling BMI 2002 en BMI 2011
 
Dräger Nederland B.V.
 
 

 

Postbus 310
2700 AH Zoetermeer

Telefoon: 079 - 3444 845
Fax: 079 - 3444 611

E-mail: Brandveiliggebouw@draeger.com

Website: www.draeger.com

 

 

 

De certificeringsregeling waarmee tot nu toe brandmeldinstallaties worden gecertificeerd en gehercertificeerd is beschreven in de regeling Brandmeldinstallaties 2002 (BMI 2002).

In relatie met het nieuwe Inspectieregime van het Bouwbesluit 2012 is er ook een nieuwe regeling voor de certificering van brandmeldinstallaties van kracht: de regeling Brandmeldinstallaties 2011 (BMI 2011).

De nieuwe regeling BMI 2011 kan vanaf 1-7-2012 worden gebruikt. De oude regeling is geldig tot 1-1-2015 conform bouwbesluit 2012 artikel 9.2 lid 6.

De kern van de regeling BMI 2002 laat zich als volgt omschrijven:

  • Er wordt een Programma van eisen (PvE) geschreven en goedgekeurd door de eisende partijen (meestal alleen Brandweer).

  • Het branddetectiebedrijf stelt het nieuwe brandmeldsysteem in bedrijf en beschrijft in zijn Rapport van Oplevering dat de installatie voldoet aan het Programma van Eisen, geeft aan dat het papieren dossier compleet is en dat de eindgebruiker een onderhoudscontract en een gediplomeerde beheerder BMI heeft.

  • Het Branddetectiebedrijf reikt het Certificaat uit voor de geldigheid van een jaar.

  • Steekproefsgewijs vindt een toetsing plaats of het certificaat terecht is aangevraagd/uitgereikt; bevindt de installatie zich in het segment Hoog dat vindt deze steekproef/inspectie altijd en vooraf door een extern inspectiebureau (=Inspectie Instelling) plaats.

De kern van de regeling BMI 2011 laat zich als volgt beschrijven:

  • Er wordt een Programma van eisen (PvE) geschreven en goedgekeurd door de eisende partijen (meestal alleen Brandweer).
  • Het branddetectiebedrijf stelt het nieuwe brandmeldsysteem in bedrijf en beschrijft in zijn Rapport van Oplevering dat de installatie voldoet aan het Programma van Eisen, geeft aan dat het papieren dossier compleet is.
  • Het Branddetectiebedrijf reikt het Certificaat uit.
  • Steekproefsgewijs vindt een toetsing plaats of het certificaat terecht is aangevraagd/uitgereikt.

Ogenschijnlijk verandert er dus niet zo veel. Aan de ene kant klopt dat wel want het hoofdproces is min of meer hetzelfde. Aan de andere kant zijn er toch ook wel veel verschillen.

Hieronder treft u de belangrijkste verschillen aan.

  • De grondslag van de regeling BMI 2002 was geregeld in het Gebruiksbesluit 2008 en daarvoor in gemeentelijke verordeningen. Hiermee had het Certificaat een wettelijke en daarmee verplichte basis. In het Bouwbesluit 2012 is een Certificaat Brandmeldinstallatie niet meer voorgeschreven, waardoor er voor dit Certificaat geen wettelijke grondslag meer aanwezig is (voor een gedeelte is in het Bouwbesluit 2012 het verplichte Inspectiecertificaat Brandmeldinstallaties daarvoor teruggekomen).
  • De organisatorische inbedding van het geheel is gewijzigd. Allereerst zullen hieronder de functionele wijzigingen worden behandeld en vervolgens de organisatorische.
    • De functionele wijzigingen. Het fundament van de hele regeling komt voort uit het integrale brandveiligheidsconcept van het CCV, waarin de Bouwkundige, Installatie en Organisatorische (BIO) aspecten op elkaar afgestemd moeten worden. 

      Een slag dieper bevinden zich dan de vier Inspectieschema’s die per type installatie (zijnde: blussysteem, brandmelding, ontruiming en rookbeheersing) de bouwkundige, installatietechnische en organisatorische aspecten toetsen eindigend in een Inspectiecertificaat. Bij het Inspectiecertificaat Brandmeldinstallatie hangt de mate van Inspectie door de Inspectie Instelling dan af of het branddetectiebedrijf wel of geen certificaat Brandmeldinstallatie heeft afgegeven. Het Certificaat Brandmeldinstallatie concentreert zich dan vooral op het onderdeel “Installatie” (van de driedeling BIO). Dat wil zeggen dat de organisatorische aspecten zijnde aanwezigheid gediplomeerde beheerder en onderhoudscontract formeel getoetst wordt in het Inspectiecertificaat en niet meer in het Certificaat Brandmeldinstallatie.

      Opmerking: in het Rapport van oplevering komen deze aspecten niet meer voor en in het Rapport van Onderhoud (dat gebruikt wordt voor de hercertificeringen) dient dit nog wel gerapporteerd te worden, maar het heeft in het certificeringsproces van de installatie een informele status. Verder heeft het Certificaat Brandmeldinstallatie geen geldigheidsduur meer, maar geeft het een momentopname weer. Opmerking: het Inspectiecertificaat heeft wel een geldigheidsduur van 1 jaar en het onderhoud van de brandmeldinstallatie dient – conform de NEN 2654-1 – ook nog jaarlijks uitgevoerd te worden. Het is dus logisch dat als een brandmeldinstallatie gecertificeerd is, dit jaarlijks te blijven doen.

    • De organisatorische wijzigingen. Voor de verschillende organisaties: Certificatie Instelling (zoals het Kiwa of LPCB), Inspectie Instelling (zoals R2B, Bureau Veritas of BVI) of het Branddetectiebedrijf (zoals Dräger) is de regeling met betrekking tot Brandmeldinstallaties op vele punten aangepast.

      Een aantal in het oog springende zijn:
      • Er is geen regeling PvE-opsteller meer in de regeling BMI 2011 (terwijl dit wel zo was in de BMI 2002). In de praktijk zorgt dit echter niet voor een grote wijziging op dit gebied, omdat er nog steeds op basis van een PvE gecertificeerd dient te worden en de eisen voor het PvE uitgebreid beschreven staan in de nieuwe NEN 2535 (2009). Opmerking: indien u conform het Bouwbesluit 2012 over een brandmeldinstallatie dient te beschikken dient deze te voldoen aan de NEN 2535 waarin is beschreven dat er altijd een Programma van Eisen dient te zijn ongeacht dus of u de brandmeldinstallatie wel of niet gaat certificeren. Wel een aandachtspunt is de kwaliteit van het PvE, omdat er geen eisen meer aan de opsteller ervan voorgeschreven worden. In de praktijk zal dit o.a. betekenen dat de samenhang van het PvE Brandmeldinstallatie in samenhang met de andere veiligheidssystemen sneller over het hoofd gezien zal worden, bijvoorbeeld de relatie tussen een overdrukinstallatie en een brandmeldinstallatie.

      • In de oude regeling sprak je van een erkend/gecertificeerd Branddetectiebedrijf. In de nieuwe regeling spreek je van een Branddetectiebedrijf dat een Productcertificaat heeft (welke is uitgegeven door een Certificatie Instelling, zoals het Kiwa of LPCB). Voorheen was een Branddetectiebedrijf dan een erkend Branddetectiebedrijf, Installatiebedrijf en Onderhoudsbedrijf. In de nieuwe regeling geldt dat je voor elk onderdeel een eigen Productcertificaat dient te halen, zijnde het Productcertificaat Brandmeldinstallaties, Productcertificaat Installeren Brandmeldinstallaties en Productcertificaat Onderhoud Brandmeldinstallaties. Het installerend bedrijf dient hierbij onder de nieuwe regeling een formeel Attest te geven voor het Installatiewerk (zie nevenstaand figuur).

      • Een wijziging voor het Branddetectiebedrijf is dat de projectering en de andere ontwerpschema’s door twee projecteringsdeskundigen getekend dienen te worden (waarbij in de oude regeling één handtekening volstond).

  • De indeling Laag-Midden-Hoog  verdwijnt. Elke installatie wordt gelijk behandeld. Hierbij vervalt dus de Externe Inspectie bij het segment Hoog. Opmerking: wel hebben veel installaties die in Hoog zaten een verplichting voor een Inspectie Certificaat, zodat de Inspectie op zich wel blijft maar nu na het uitreiken van het Certificaat wordt uitgevoerd.

  • De steekproeffrequentie is globaal 1:15 geworden met een minimum van 2 per jaar voor het branddetectiebedrijf dat het certificaat verstrekt. De uitvoering van de steekproef geschiedt op last van de Certificerende Instelling (die het productcertificaat aan het Branddetectiebedrijf heeft verstrekt). Hierbij heeft het branddetectiebedrijf geen stem meer in de keuze voor de Inspectie Instelling die de steekproef uitvoert. Daarbij is niet alleen de frequentie verhoogd, maar is ook het opvolgbeleid (lees: sanctiebeleid) aanzienlijk aangescherpt.

    Bij afwijkingen (major of minor) dient direct een Plan van Aanpak (PvA) aangeleverd worden ter opheffing van de afwijking en de borging dat de afwijking zich niet herhaalt. Het niet tijdig aanleveren van het PvA of het niet of niet tijdig opheffen ervan, leidt direct tot schorsing. Gedurende de schorsingsperiode kan het branddetectiebedrijf geen certificaten meer verstrekken. De maximale schorsingsduur is 6 maanden. Indien in die periode de afwijkingen niet zijn hersteld, wordt de bevoegdheid om het certificatieschema te mogen uitvoeren ingetrokken. Tevens kunnen afwijkingen ertoe leiden dat de steekproeffrequentie wordt verhoogd. Voor branddetectiebedrijven en onderhoudsbedrijven die de certificering niet heel strak geregeld hebben, betekent dit nogal wat.

  • De lay-out van het nieuwe certificaat is gewijzigd (zie ook eerste bladzijde van dit artikel) en draagt als basis het logo van het CCV met daarin de naam van het Productcertificaat.

Opmerking: bovenstaand handelt vooral over het eerste Certificaat Brandmeldinstallaties dat na de bouw van een project wordt afgegeven. De vervolgcertificaten, in de basis jaarlijks, worden afgegeven door het bedrijf dat over het Product Certificaat Onderhoud Brandmeldinstallaties beschikt. Het proces is dan in grote lijnen weer hetzelfde, met dien verstande dat het niet hebben een onderhoudscontract of een beheerder nu wel tot een nee-conclusie voor het Certificaat  kan leiden.

Tenslotte

Het geheel overziend zou je globaal kunnen zeggen dat het nieuwe Bouwbesluit ervoor heeft gezorgd dat het aantal Certificaten Brandmeldinstallaties zal afnemen, maar dat als het Certificaat wordt afgegeven de kwaliteit van het brandmeldsysteem – ten opzichte van de huidige regeling BMI 2002 – beter geborgd zal zijn.

Voor die installaties die niet meer gecertificeerd worden, zal het kwaliteitsniveau naar verwachting weer terugzakken naar het oude niveau van voor de intreding van de certificeringsregeling, wat op zich geen goede ontwikkeling is. En of dit laatste gebeurt, is een keuze van de eindgebruiker geworden die zelf beslist of hij zijn installatie wel of niet laat certificeren..

Terug naar Nieuwsbrief

 

 



Dräger Brandveilig Gebouw